hoofdpagina
Vragenlijst Schema Mode Inventory

Voor- en achternaam :

Bedrijf :

Email adres :

Doel van de vragenlijst:


Geef aan in welke mate je het gedrag vertoont conform de onderstaande beschrijving:
1 = Nooit of bijna nooit
2 = Zelden
3 = Af en toe
4 = Regelmatig
5 = Meestal
6 = Altijd
 
 
1
2
3
4
5
6
1
Door anderen te laten merken dat met jou niet te spotten valt, dwing je respect af.
2
Ik voel me geliefd en geaccepteerd.
3
Ik gun mezelf geen plezier omdat ik het niet verdien.
4
Ik voel me inadequaat, gebrekkig of waardeloos.
5
Ik heb de neiging om mezelf te straffen door mezelf pijn te doen (bijvoorbeeld mezelf snijden).
6
Ik voel me verloren.
7
Ik ben streng voor mezelf.
8
Ik doe erg mijn best anderen te plezieren om conflicten, confrontatie of afwijzing te vermijden
9
Ik kan mezelf niet vergeven.
10
Ik doe dingen om in het middelpunt van de belangstelling te staan.
11
Ik raak geïrriteerd als mensen niet doen wat ik van hen vraag.
12
Ik kan mijn impulsen slecht controleren.
13
Als ik een doel niet kan bereiken, raak ik snel gefrustreerd en geef ik het op.
14
Ik heb woedeaanvallen en driftbuien.
15
Ik handel impulsief of ik uit emoties die me in de problemen brengen of die andere mensen kwetsen.
16
Het is mijn schuld wanneer er iets ergs gebeurt.
17
Ik voel me tevreden en kalm.
18
Ik verander mezelf afhankelijk van de mensen bij wie ik ben, zodat ze me aardig zullen vinden of me goedkeuren.
19
Ik voel me verbonden met andere mensen.
20
Als er problemen zijn, doe ik hard mijn best om ze zelf op te lossen.
21
Ik dwing mezelf niet om routinematige of vervelende taken af te maken.
22
Als ik niet vecht word ik misbruikt of verwaarloosd.
23
Wie zich laat pesten is een mislukkeling.
24
Ik val mensen fysiek aan als ik boos op hen ben.
25
Als ik me eenmaal boos begin te voelen, houd ik het vaak niet onder controle en verlies ik mijn beheersing.
26
Het is voor mij belangrijk nummer één te zijn (bijvoorbeeld de meest populaire, meest succesvolle, meest rijke, meest machtige).
27
Ik voel me onverschillig.
28
Ik kan problemen rationeel oplossen zonder me door mijn emoties te laten overspoelen.
29
Ik neem geen genoegen met het één na beste.
30
Aanval is de beste verdediging.
31
Ik voel me kil naar andere mensen toe.
32
Ik voel me onthecht (geen contact met mezelf, mijn emoties en anderen).
33
Ik volg blindelings mijn emoties.
34
Ik voel me wanhopig.
35
Ik sta het toe dat andere mensen mij bekritiseren of kleineren.
36
In relaties laat ik de andere persoon de overhand hebben.
37
Ik voel me afstandelijk tegenover andere mensen.
38
Ik denk niet na over wat ik zeg en breng daarmee mezelf in de problemen of kwets anderen.
39
Ik werk of sport intensief om niet te hoeven denken aan vervelende dingen.
40
Ik ben boos omdat mensen proberen mijn vrijheid en onafhankelijkheid van me af te pakken.
41
Ik voel niks.
42
Ik doe wat ik wil, ongeacht de behoeften en gevoelens van andere mensen.
43
Ik geef mezelf niet de kans om te ontspannen of plezier te hebben, voordat ik alles heb afgemaakt wat ik moest doen.
44
Ik gooi en smijt met dingen als ik boos ben.
45
Ik ben woedend op iemand.
46
Ik voel dat ik bij andere mensen hoor.
47
Ik heb veel opgekropte boosheid die eruit moet.
48
Ik voel me eenzaam.
49
Ik doe graag iets opwindends of troostends om mijn gevoelens te vermijden (bijvoorbeeld eten, seksuele activiteiten, uitgaan, gokken of shoppen).
50
Gelijkwaardigheid bestaat niet, dus kan je maar het beste boven de ander staan.
51
In mijn boosheid verlies ik de controle over mezelf en bedreig ik andere mensen.
52
Ik laat andere mensen hun gang gaan, in plaats van mijn eigen behoeften te uiten.
53
Wie niet voor me is, is tegen me.
54
Om minder last te hebben van vervelende gedachten of gevoelens, zorg ik dat ik het altijd druk heb.
55
Ik ben een slecht persoon als ik boos word op andere mensen.
56
Ik wil niet betrokken raken bij andere mensen.
57
Ik voel dat ik genoeg stabiliteit en zekerheid in mijn leven heb
58
Ik weet wanneer mijn emoties te uiten en wanneer niet.
59
Ik ben boos op iemand omdat hij/ zij er niet voor me was of mij verliet.
60
Ik voel me niet verbonden met andere mensen.
61
Ik kan me er niet toe zetten dingen te doen die ik vervelend vind, ook al weet ik dat het voor mijn eigen bestwil is.
62
Ik overtreed regels en heb er later spijt van.
63
Ik voel me vernederd
64
Ik vertrouw de meeste andere mensen.
65
Ik doe, en denk daarna pas.
66
Ik raak makkelijk verveeld en verlies snel interesse in dingen.
67
Ook als ik mensen om me heen heb, voel ik me eenzaam.
68
Omdat ik slecht ben sta ik het mezelf niet toe om plezierige dingen te doen die andere mensen wel doen.
69
Ik kom op voor wat ik wil, zonder daarin te overdrijven.
70
Ik vind mezelf speciaal en beter dan de meeste andere mensen.
71
Ik geef nergens om; niets is belangrijk voor me.
72
Het maakt me boos wanneer iemand me vertelt hoe ik me zou moeten voelen of gedragen.
73
Als je anderen niet overheerst, word je overheerst.
74
Ik zeg wat ik voel of doe dingen impulsief, zonder over de gevolgen na te denken.
75
Ik zou mensen een standje willen geven voor de manier waarop ze mij behandeld hebben.
76
Ik ben in staat om voor mezelf te zorgen.
77
Ik ben tamelijk kritisch tegenover andere mensen.
78
Ik sta onder een constante druk om te presteren en dingen te bereiken.
79
Ik probeer geen fouten te maken, anders ga ik mezelf naar beneden halen.
80
Ik verdien het om gestraft te worden.
81
Ik kan leren, groeien en veranderen.
82
Ik wil mezelf afleiden van gedachten en gevoelens die mij van streek maken.
83
Ik ben boos op mezelf.
84
Ik voel me vlak.
85
Ik moet de beste zijn in wat ik doe.
86
Ik offer plezier, gezondheid of geluk op om aan mijn eigen eisen te voldoen.
87
Ik ben veeleisend tegenover andere mensen.
88
Als ik boos ben, kan het zo uit de hand lopen dat er gewonden vallen.
89
Ik ben onaantastbaar.
90
Ik ben een slecht persoon.
91
Ik voel me veilig.
92
Ik voel me gehoord, begrepen en gesteund.
93
Het is voor mij onmogelijk mijn impulsen te controleren.
94
Ik maak dingen kapot als ik boos ben.
95
Door anderen te overheersen, kan je niets gebeuren.
96
Ik gedraag me op een passieve manier, zelfs als ik het ergens niet mee eens ben.
97
Mijn boosheid loopt uit de hand.
98
Ik pest anderen.
99
Ik zou iemand pijn willen doen voor wat hij/ zij me heeft aangedaan.
100
Ik weet dat er een ‘goede’ en een ‘ slechte’ manier is om dingen te doen; ik doe hard mijn best om dingen op een goede manier te doen, anders bekritiseer ik mezelf.
101
Ik voel me vaak alleen op de wereld.
102
Ik voel me zwak en hulpeloos.
103
Ik ben lui.
104
Het is verstandig om alles te accepteren van mensen die belangrijk voor me zijn.
105
Ik ben bedrogen of oneerlijk behandeld.
106
Ik voel me buitengesloten.
107
Ik kleineer anderen.
108
Ik voel me optimistisch.
109
Ik heb het gevoel dat ik mezelf niet aan dezelfde regels hoef te houden als andere mensen.
110
Ik dwing mezelf om meer verantwoordelijk te zijn dan de meeste andere mensen.
111
Ik kan voor mezelf opkomen wanneer ik vind dat ik oneerlijk bekritiseerd, uitgebuit of misbruikt word.
112
Ik verdien geen medelijden wanneer mij iets ergs overkomt.
113
Ik heb het gevoel dat niemand van me houdt.
114
Ik voel dat ik van nature een goed persoon ben.
115
Als het nodig is maak ik saaie en routinematige taken af zodat ik dingen kan bereiken die ik waardeer.
116
Ik voel me spontaan en speels.
117
Ik kan zo woedend zijn dat ik in staat ben iemand te vermoorden.
118
Ik heb een goed beeld van wie ik ben en wat ik nodig heb om mezelf gelukkig te maken.